De tragische paradox van de mijnwerker

Waar schade door mijnbouw met de aardbevingen in Groningen in de huidige tijd aan de orde van de dag is, was werken in de mijnen nog niet zo heel lang geleden een ontzettend belangrijke inkomstenbron. Vooral in Limburg, waar de ontsteltenis groot was, toen begin jaren ‘70 de kolenmijnen stuk voor stuk gesloten werden. De overstap op aardolie en aardgas – waaraan men in Groningen nu de aardbevingen te ‘danken’ heeft – maakte het delven van steenkool niet langer nodig.

Het is een opmerkelijke paradox. In Zuid-Limburg groeide een volkswoede ten opzichte van het Rijk, dat had besloten de mijnen te sluiten. Aan de andere kant zou je denken dat men blij was niet langer in de levensgevaarlijke mijnen te hoeven werken. Want ga maar eens na wat voor risico’s de mijnwerkers dag in, dag uit moesten nemen. En bedenk je hierbij dat het werken in de mijnen in Nederland niet meer gebeurt, maar in andere landen nog altijd aan de orde van de dag is.

Stoflongen

Mijnwerkers bevinden zich hele dagen onder de grond, waarbij ze continu bezig zijn met het uithakken en -boren van gesteente. Hierbij komen kleine deeltjes vrij, die in de lucht blijven hangen. Door het inademen hiervan raken de longen langzaamaan hun elasticiteit kwijt. Je voelt je hierdoor snel benauwd en moet veel hoesten. Een verhoogde kans op longkanker is hieraan inherent.

Lekken van giftige stoffen

Mijngas wordt door (voormalig) mijnwerkers omschreven als hun grootste natuurlijke vijand. Het gas komt vrij tijdens het delven en de hoeveelheid neemt toe naarmate men dieper de grond ingaat. Wanneer de hoeveelheid mijngas ten opzichte van de hoeveelheid verse zuurstof te groot wordt, ontstaat de kans op ontploffing door een open vlam of vonk. Daarom is de toevoer van voldoende zuurstof van levensbelang in de mijnen.

Verdrinking

Een minder bekend gevaar dat altijd op de loer lag was de kans op een waterdoorbraak. Zou dit gebeuren, dan vulden de gangen zich in een rap tempo met water en zaten de mijnwerkers als ratten in de val.

Waarom dan die woede?

Toch was Zuid-Limburg in rep en roer, toen de kolenmijnen tussen 1966 en 1974 gesloten werden. Gezinnen waren namelijk sterk afhankelijk van de mijnbouw. In één klap raakten liefst 45 duizend mensen hun baan kwijt. Sommige kregen hiervoor een uitkering en een compensatie voor de opgelopen gezondheidsschade. Dit gold echter lang niet voor alle voormalige mijnwerkers, die zich afgedankt en in de steek gelaten voelden. En ergens anders aan de bak? Veel werkgevers durfden het niet aan, je wist immers nooit hoe lang iemand nog te gaan had…